Mensen met koffers

Theatermaker René Hildesheim heeft verhalen "van horen zeggen" van mensen die kind waren in WO II bewerkt tot prachtige verhalende scènes. Hij speelt de voorstelling voor zo'n 30 groepen 7-8.


Op OBS De Tuimelaar in Veghel hebben de leerlingen uit de groepen 7 en 8 ademloos geluisterd en gekeken naar René. De verhalen uit de voorstelling zijn allemaal gebaseerd op waargebeurde belevenissen van kinderen uit die tijd. René zelf is van na de oorlog "ík heb het van horen zeggen". Deze mensen – waaronder René zijn half-Joodse vader en zijn tante – zijn ondertussen overleden, of heel oud. Hij draagt een jasje met veel scheuren: een Joods gebruik; voor elke overlede een scheur. René heeft de verhalen opgetekend en gevisualiseerd. De meeste verhalen speelden zich lokaal af.

Het gaat over Paula, de badkaat uit Veghel. Terwijl de Duitsers in haar winkel even op de koffie kwamen (ze was immers een Duitse) zaten er boven op haar zolder onderduikers verstopt, die wachtten op een adres via Pater Theo. Ze hielp mensen aan een onderduikadres en kreeg na de oorlog een onderscheiding. Mensen vroegen zich toen af "Ze was toch fout? Ze was toch Duits?". Paula was een gewone vrouw die er voor koos om mensen te helpen.

Het gaat over Robbie. Die had geen snoepjes meer, en voor de oorlog waren die er wel. Krijgt hij geen gaatjes, dat is dan wel weer fijn.

Ook Tante Zus en Hanneke komen voor in de voorstelling. "Ik mag me niet vergissen, nooit!". Dat roept veel herkenning op; de kinderen gingen eerder al naar de expositie in de bibliotheek en lazen Hannekelief. René vertelt de nieuwe regels van de Duitsers. Joden mogen niet in de auto, zelfs als het hun eigen auto is. Ze moeten hun fiets afgeven. Moeten in een aparte buurt gaan wonen. Mogen alleen boodschappen doen tussen 13u en 15u. Joden mogen niet sporten... op transport mochten ze wel.

Ook René zijn vader zit in de voorstelling, Jopie. Hij was tien jaar oud aan het begin van de oorlog. Hij was goed in 'organiseren'... stelen, voor het goede doel. Hij liep met een touw door Amsterdam om eten te verzamelen. En tijdens de bevrijding had hij een uniform aan, dan kreeg je sneller verkering. Dat had hij zo georgansieerd.

Twee Joodse muzikanten, Johnny en Jones maakten muziek in Kamp Westerbork. Ze mochten vanuit daar nog één keer terug om een plaatje op te nemen. Ze kregen zelfs het aanbod om onder te duiken, maar kozen er voor om terug te gaan naar Westerbork, waar hun vrouwen en kinderen waren. Zes weken later werden ze afgevoerd en gingen ze hun dood tegemoet.

Ook was er het verhaal van baby Roos, die tijdens bombardementen een veilige plek kreeg in een kistje tussen de weckflessen in de kelder. Een blindganger was dwars door hun dak gegaan en geland in haar wiegje wat nog boven stond. De Duitsers kwamen de bom ophalen om hem onschadelijk te maken en ze heeft nog weken in dat kistje moeten slapen. Tot de Duitsers de gerepareerde wieg terug kwamen brengen.

De voorstelling wordt afgesloten met een gedicht, het passende "Mensen met koffers" van Sjoerd Kuyper.

Na de voorstelling was er gelegenheid om vragen te stellen, wat dan ook volop gebeurde.