“Wie naar kunst kijkt, kijkt naar zichzelf.” Dat zeggen we vaak bij Cultuurkade. Maar wat houdt ‘kijken naar kunst’ eigenlijk in? Hoe kijk je verder dan de oppervlakte?
En hoe doe je dat als leerkracht met je klas? Voor deze vragen is er het project VerderKijken DoorDenken. Een project waarin naast kijken ook zelf dóén een rol speelt. Zo ook in groep 3L van basisschool ’t Kwekkeveld in Schijndel: “Er is hier creativiteit genoeg!”
Op een dinsdagochtend in januari is fotograaf en museumdocent Evy van het Design Museum Den Bosch te gast op ‘t Kwekkeveld. Ze geeft deze ochtend gastlessen in het kader van VerderKijken DoorDenken. “Deze gastlessen zijn er in vier varianten”, vertelt ze van tevoren. “We hebben een les rondom een schaats, die gaat over klimaatverandering, een les rondom een schoen, die gaat over identiteit en een les rondom een voetbal, die gaat over jouw relatie tot de ander. Deze les, rondom dit voorwerp, gaat over technologie.”
Museum zonder schilderijen
Wat dat voorwerp is, is aan het begin voor iedereen nog een vraag. Nadat Evy zichzelf heeft voorgesteld aan groep 3L, vertelt ze iets over het Design Museum: “Wij zijn wel een museum, maar we hebben geen schilderijen. Wel schoenen bijvoorbeeld. En een helm.” “Hoezo is dat allemaal zo belangrijk?” vraagt een meisje. “Goede vraag”, lacht Evy. “Alles wat jij gebruikt, is bedacht door iemand. Wij vinden het belangrijk om daar aandacht aan te besteden: waarom zijn die dingen er eigenlijk? Hoe worden ze gebruikt? En waarom zien ze eruit zoals ze eruit zien? Kijk, dit voorwerp bijvoorbeeld.” Ze laat een poppetje zien dat op een pinguïn lijkt. “Wat is dat?” roept een jongen. “Dat gaan wij vandaag samen uitzoeken”, zegt Evy.
De bedoeling is dat de kinderen het poppetje doorgeven en allemaal één kenmerk ervan benoemen. “Je denkt misschien dat dat niet 20 keer lukt, want hoe kun je nou 20 keer iets ánders benoemen van zo’n poppetje? Maar juist dán kun je kinderen begeleiden om verder te kijken dan alleen de eerste opvallende kenmerken”, vertelt Evy hier achteraf over. “Ik zie een gele snavel!” Ik zie oogjes!” “Ik zie zijn witte buikje!”, roepen de kinderen één voor één. Evy tekent alle kenmerken op het whiteboard, zodat daar een afbeelding van het poppetje ontstaat. Waar het moeilijker wordt, helpt Evy een handje: “Staat er ook iets óp de vleugeltjes?” “Wat gebeurt er als je dáárop drukt?” “Kun je eens goed aan dat blauwe jasje voelen?” “Draai ‘m eens om. Wat zie je aan de onderkant?”
Ei of aardappel
Steeds verder wordt de pinguïn ontleed. Als zijn ‘blauwe jasje’ uitgaat, wordt de perceptie van de leerlingen meteen anders: “Nu is het een ei!” “Nee, een aardappel!” Terwijl de kinderen zelf vragen bedenken én beantwoorden bij het voorwerp, komen ze erachter wat het is: een poppetje dat je helpt om te gaan slapen. Daarbij is de doelgroep, kinderen, volgens Evy belangrijk. In een vraaggesprek daagt ze de kinderen uit om specifieke kenmerken van het poppetje te benoemen, waaraan je kunt zien dat het gemaakt is voor kinderen.
Nadat de groep nog wat verder heeft gefilosofeerd over het voorwerp, de functies en doelgroepen, mogen ze zelf aan de slag. “Kunnen jullie zelf ook zoiets ontwerpen?” vraagt Evy. Ze deelt wit papier uit waarop de omtrek van het poppetje afgebeeld staat, zonder de details die het tot een pinguïn maken. “Hiervan mogen jullie álles maken wat je wilt”, zegt ze. “Wat zou jíj voor jezelf willen ontwerpen? Het hoeft geen dier te zijn hè! Eérst goed nadenken, dan pas gaan tekenen!”
Niet perfect
Al snel ontstaan de mooiste creaties: van T-rexen en avatars uit games tot regenboogkatten, honden, leeuwen en krokodillen. “Ik maak een springuïn, dat is een pinguïn die goed kan springen!” zegt een meisje. Voor sommige leerlingen lijkt de tekening zo’n beetje vanzelf te ontstaan: “Dit wordt een aap… of nee, een schildpad!” zegt een jongen. En even later: “Nou, het is tóch meer een beer geworden, maar dat klopt ook wel, want een beer heeft een heel groot lijf.” Op de schildpad die zijn buurjongen heeft getekend, is het schild tot in de kleinste details vormgegeven. Evy tegen een meisje dat worstelt met haar tekening: “Het hoeft niet perfect te zijn hè? Het is jóúw ontwerp.”
Alles is goed vandaag, dat is duidelijk. Het idee is dat de leerlingen vooral creatief mogen zijn. “Er is hier creativiteit genoeg!” zegt Loes, terwijl ze naar de tekeningen kijkt. “Het is belangrijk dat ze die creativiteit en hun fantasie kwijt kunnen. Er zitten veel kinderen hier in de klas die het leuk vinden om te kleuren. Soms merk je ook dat kinderen dan een beetje openbreken. Ik heb bijvoorbeeld één meisje dat het lastig vindt om uit haar schulp te kruipen; ze is erg teruggetrokken. Als ze iets gekleurd heeft, zie je dat de drempel lager wordt om tegen andere kinderen te praten. Dat is erg mooi!”
Prikkelen tot nadenken
“Laat even aan elkaar zien wat je gemaakt hebt!” roept Evy ondertussen. “Ik heb héle mooie ontwerpen gezien namelijk. De kinderen bewonderen elkaars tekeningen, terwijl Evy er wederom vragen bij stelt. Na een afsluitend praatje zit de les er alweer op. “Dit is zo mooi om te doen met kinderen”, zegt Evy terwijl de kinderen de klas uitgaan. “In het eerste gedeelte, waar ze gaan kijken naar het voorwerp, geef ik het liefst zo weinig mogelijk antwoorden en wil ik ze vooral prikkelen tot zélf nadenken. ‘Wat zie je?’ is dan een heel interessante vraag, waarbij je merkt dat ze steeds beter gaan kijken. Bij het zelf ontwerpen was deze klas heel initiatiefrijk en creatief, maar soms zie je dat jonge kinderen al heel onzeker zijn. Het is juist goed om ze dan te laten zien dat ze het tóch kunnen. Er zit veel in deze lessen; verder kijken, samenwerken, maar ook de ruimte die je leerlingen biedt om vragen te stellen. En het idee dat vragen niet stom zijn.” Als de laatste kinderen de klas uit lopen, wordt Evy onderbroken: ze krijgt van sommigen nog een hele dikke knuffel. “Wauw!” lacht ze. “Dat is toch prachtig!”.
Op deze pagina staan alle beschikbare kunstkaarten, om zelf mee aan de slag te gaan.
Tekst: Dinges Tekst & Tekstadvies